Succesvol beroep op uitzondering dwingende spoed na ongebruikt laten optie tot verlenging

Datum: August 20, 2015
Categorie: Algemeen inkoopnieuws
Auteur: CBP, Steven Dijksma

In een recente zaak bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam is de zittende dienstverlener er niet in geslaagd aan te tonen dat er een gerechtvaardigd vertrouwen was gewekt dat gebruik gemaakt zou worden van de optie tot verlenging. Daarnaast heeft de gemeente in dit geval kunnen aantonen dat er grond was voor toepassing van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande aankondiging op basis van dwingende spoed wegens ‘zorgen over de liquiditeitspositie’ bij de zittende dienstverlener en de omstandigheid dat de gemeente geen tijd meer zou hebben om aan te besteden.

Kort weergegeven overweegt de voorzieningenrechter dat de gemeente niet heeft kunnen voorzien dat de uitkomst van het onderzoek naar de financiële situatie van de huidige dienstverlener zou leiden tot deze uitkomst, alsmede dat deze uitkomst vanuit het onderzoek niet eerder verwacht had kunnen worden. Hierop concludeert de voorzieningenrechter dat de zorgen over de continuïteit van de bedrijfsvoering valt aan te merken als een onvoorziene gebeurtenis welke niet aan de gemeente is te wijten. Daarnaast concludeert de voorzieningenrechter dat er onvoldoende tijd beschikbaar was voor het doorlopen van een reguliere procedure, al dan niet met toepassing van versnelde termijnen in verband met ‘dringende redenen,’ waardoor de uitzonderingsprocedure op basis van dwingende spoed in dit specifieke geval voor de gemeente open stond.

N.B. Vorenstaande houdt nadrukkelijk geen vrijbrief in voor de aanbestedende dienst om een afwachtende houding aan te nemen in geval van aflopende overeenkomsten met een verlengingsoptie, om vervolgens eenvoudigweg op basis van dwingende spoed enkelvoudig onderhands een overeenkomst met een derde te sluiten. Zoals uit het vonnis blijkt dient er daadwerkelijk sprake te zijn van dwingende spoed naar aanleiding van een onvoorziene gebeurtenis welke niet aan de aanbestedende dienst te wijten is.

Bron: http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2015:5226